Bijzonder vonnis van de voorzieningenrechter Kanton Overijssel 6 juni jl. die de contractuele boete wegens te late huurbetalingen (bedrijfsruimte) toewijst in kort geding. En dat terwijl het toewijzen van geldvorderingen in kort geding alles behalve vanzelfsprekend is.

In deze kwestie, is de rechter vanwege de herhaaldelijke betalingsachterstanden van huurder kennelijk zó overtuigd van wat in de bodemprocedure zal worden beslist, dat (naast de ontruiming) de huidige betalingsachterstand van 3.647 euro opgeplust met een boete van 1500 euro bij voorlopige voorziening wordt toegewezen.

Als ik het vonnis en de overwegingen van de rechter lees, vind ik het allemaal wat kort door de bocht en valt er in ieder geval wat aan te merken op de summiere motivering van de voorzieningenrechter. Wil een geldvordering in kort geding kunnen worden toegewezen, dan dient immers aan drie eisen te zijn voldaan:

  1. het bestaan van de vordering en de omvang van de vordering zijn in hoge mate aannemelijk;
  2. er is een spoedeisend belang dat maakt dat een onmiddellijke voorziening vereist is;
  3. er is geen restitutierisico.

De voorzieningenrechter benoemt die drie vereisten heel keurig in r.o. 4.3:

“Wat betreft de gevorderde achterstallige huurtermijnen wordt voorop gesteld dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.”

Om vervolgens echter alleen de aannemelijkheid van de geldvordering te behandelen…

Met betrekking tot het restitutierisico zou je nog kunnen zeggen dat zolang gedaagden daar niets over zeggen, de rechter ervan uit mag gaan dat daarvan geen sprake is. Echter, in een kort geding is het toch zeker ook aan de eiser om in ieder geval voldoende te stellen waarom sprake is van spoedeisend belang bij de geldvordering. Ja, als de vordering voldoende vast staat, worden er minder hoge eisen gesteld aan de spoedeisendheid, maar met geen woord reppen over spoedeisend belang in een kort geding vonnis, vind ik toch een brug te ver.

En… kun je met betrekking tot de boete wel overwegen dat die in voldoende mate vast staat? In bodemprocedures worden de contractuele boetes uit de algemene bepalingen van de ROZ vaak gematigd. Daarbij, huurder is een eenmanszaak, zodat de boete als gevolg van reflexwerking mogelijk onredelijk bezwarend en dus vernietigbaar is. Ook dat is door de gemachtigde van gedaagden overigens niet aangevoerd.

Waarschijnlijk heeft de voorzieningenrechter gemeend dat de boete een nevenvordering betreft waarvan het om proces economische redenen niet nodig is om daarover apart te beslissen in een bodemprocedure. Dat is wel in lijn met de rechtspraak over nevenvorderingen in kort geding, maar ik hou er wel van als een voorzieningenrechter de moeite neemt om daar dan toch even een gemotiveerde overweging aan te wijden.

Lees hier de volledige uitspraak: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2018:2219

 

Heb jij een vraag over de huren, ontruiming en boetes?

Voor al jouw vragen over huurrecht, staat AM advocatuur graag voor u klaar. Woon je in Veldhoven of omgeving? Of huur je daar een bedrijfsruimte? Vraag dan vandaag nog een gratis kennismakingsgesprek aan!